De toekomst van wet DBA

Het blijft een veelbesproken onderwerp, wet DBA. Zowel in de Tweede kamer als daarbuiten wordt er nog veel gediscussieerd over de verschillende facetten die belangrijk zijn voor deze wet. Voorbeelden van deze facetten zijn de opt-out-optie en de ondernemerstoets die nog een concrete vorm moeten krijgen. De handhaving van deze wet is ook meerdere keren uitgesteld. Eerst tot 1 juli 2018 en daaropvolgend tot 1 januari 2020. Klaarblijkelijk moet er nog veel geregeld worden maar zit er eigenlijk nog wel een toekomst in deze veelomvattende wet?

Om antwoord te kunnen geven op deze vraag is het van belang om eerst de geschiedenis in te duiken. Welke wet is er voor wet DBA geweest om de ZP markt te reguleren vanuit de overheid? Vervolgens duiken we in de huidige situatie. Wat brengt deze wet nu al teweeg in haar huidige vorm onder intermediairs, detacheerders, freelancers en de eindklanten? Als laatste bespreken we de toekomst van de wet. Verwachten we nog meer wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat de handhaving van deze weer wordt uitgesteld? Een zeer interessante casus dus lees vooral door!

Voor de wet DBA haar intrede deed op 1 mei 2016 konden freelancers en opdrachtgevers gebruik maken van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Dit was een verklaring van de Belastingdienst die de opdrachtgever en opdrachtnemer zekerheid trachtte te geven over de fiscale en sociale-zekerheidsrechtelijke status van inkomsten die een freelancer voor zijn/haar werkzaamheden verkrijgt.

De belastingdienst beoordeelde de fiscale status aan de hand van de aanvraag. Op basis hiervan werd vervolgens de VAR afgegeven. Welk type VAR werd afgegeven, hing af in welke hoedanigheid de aanvrager (altijd een natuurlijk persoon) werkzaamheden gaat verrichten. Inkomsten konden worden aangemerkt als:

  • Winst uit onderneming (VAR-wuo);
  • Loon uit dienstbetrekking (VAR-loon);
  • Resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-row);
  • Inkomsten uit werkzaamheden voor rekening en risico van een vennootschap (VAR-dga).

De VAR werd veelal op verzoek van een opdrachtgever door de opdrachtnemer aangevraagd. De reden is dat de opdrachtgever zekerheid wil hebben over de fiscale en sociaal-zekerheidsrechtelijke status van degene die werkzaamheden voor de opdrachtgever verricht. Indien er sprake is van een dienstbetrekking dient de opdrachtgever namelijk verplicht loonheffingen in te houden op de beloning die de opdrachtgever aan de opdrachtnemer betaalt. Met behulp van de VAR-wuo of VAR-dga verkreeg de opdrachtgever zekerheid dat hij dit niet hoefde te doen. Mocht de Belastingdienst bij het beoordelen van de werkzaamheden toch het standpunt innemen dat er sprake is van loon uit dienstbetrekking dan kan de verschuldigde loonheffing niet bij de opdrachtgever worden nageheven, maar slechts bij de opdrachtnemer. Is aan de opdrachtnemer een VAR-loon uitgereikt, dan diende de opdrachtgever wel loonheffingen in te houden. In geval van een VAR-row diende de opdrachtgever zelf na te gaan of hij al dan niet loonheffingen dient in te houden. Het belang van de VAR-row was daarmee beperkt.

Een VAR had geen gevolgen voor de beoordeling van de aangifte inkomsten- of loonbelasting. De Belastingdienst beoordeelt bijvoorbeeld achteraf opnieuw of arbeidsinkomen winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking of resultaat uit overige werkzaamheden is. Deze bevindingen konden wel betrokken worden bij de beoordeling van een nieuwe VAR-aanvraag.

Het is duidelijk dat de VAR een vrij gemakkelijke manier was om als freelancer aan de slag te kunnen. Hedendaags is het nog steeds makkelijk om als freelancer te beginnen, er zijn echter wel meer zaken die men verplicht moet regelen om aan te kunnen tonen dat hij/zij opereert als zelfstandige.  Zo wordt er nu verwacht dat men onder andere als zelfstandige:

  • Aantoonbaar zelfstandig is (eigen website, visitekaartjes etc.)
  • Een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering heeft
  • Gebruikt maakt van een goedgekeurde modelovereenkomst

De weg naar dit systeem heeft wat voeten in de aarde gehad maar het is uiteindelijk duidelijker geworden wat de Belastingdienst verwacht van derde partijen (intermediairs, brokers e.d.), opdrachtgevers en freelancers.

Er heerst dus nog wel een beetje onduidelijkheid. Deze zit hem vooral in de specificaties van het aantoonbaar zelfstandig zijn en het tarief welk een freelancer ontvangt. Dit kan namelijk op een vrij breed vlak geïnterpreteerd worden. Hieronder een voorbeeld over de interpretatie:

Een freelance accountmanager heeft een opdracht verworven bij een eindklant en zet zich volledig in om nieuwe business te genereren. Hij vraagt hier een aanzienlijk tarief (€75,-) voor. Van hem wordt verwacht dat hij ook langs potentiële klanten gaat maar wel in uniform van zijn opdrachtgever en in een bestickerde auto van de zaak. Dit om representatief over te komen en vertrouwen te wekken bij de potentiële klant. Mag dit volgens de Belastingdienst?

Als we bovenstaand voorbeeld heel zwart-wit bekijken is dit niet toegestaan vanuit de Belastingdienst. Een uniform met logo en een auto van de zaak kunnen immers de indruk wekken dat de accountmanager in loondienst is van de opdrachtgever. De Belastingdienst gaf namelijk aan, nadat dit voorbeeld was voorgelegd, dat de accountmanager zijn eigen kleren kon dragen en in het bezit was van een auto. Dit is vrij krom maar hedendaags wel de realiteit. Er wordt dan ook van een freelancer verwacht dat hij/zij hier niet akkoord mee gaat. Dit is wel een voorbeeld van wat de Belastingdienst verwacht van een freelancer. Er zijn echter andere, hedendaagse, voorbeelden kenbaar. De zaak van Deliveroo is zo’n voorbeeld:

Deliveroo kondigde eind vorig jaar aan af te stappen van het loondienstmodel en alleen nog met freelancers te werken. Alle bezorgers moeten dus door als freelancer. Er wordt wel van ze verwacht dat ze rondfietsen met een tas van Deliveroo. Daarnaast zijn de verdiensten gelijkwaardig aan het uurloon welk voorheen werd verdient (naar verwachting €15,- per uur). Mag dit volgens de Belastingdienst?

Er is enorm veel ophef geweest over deze constructie. Men haalde ook het PostNL voorbeeld aan waar het personeel werd ontslagen en men ze terug liet komen als freelancers. De rechter heeft echter geoordeeld dat dit geen schijnzelfstandigheid is en de Belastingdienst gaat daarin mee.

Als we beide voorbeelden naast elkaar zetten is het vrij duidelijk dat de Belastingdienst nog niet duidelijk genoeg een grens heeft getrokken met betrekking tot schijnzelfstandigheid. Hoe gaan ze hier dan in de toekomst mee om?

Om de wet zo duidelijk mogelijk neer te zetten is er in het Regeerakkoord een geupdate versie van Wet DBA gepresenteerd. Zo wil de regering het volgende introduceren:

  • Een tariefschema met een opt-out regeling
  • Een werkgeversverklaring
  • Een webmodule die ingevuld dient te worden door de opdrachtgever
  • Onderscheid tussen reguliere en niet-reguliere bedrijfsactiviteiten

Er is al wat meer bekend over de opt-out regeling. Organisaties lopen straks geen risico meer op naheffingsaanslagen als zij met een freelancer met een hoog tarief afspreken dat zij voor hem geen loonheffingen inhouden en betalen. Deze zogenoemde opt-out staat in het regeerakkoord 2017.

Zelfstandigen Professionals (ZP’ers) met een hoog tarief inhuren, kan straks zonder risico’s. Dat staat in het regeerakkoord 2017. Als organisaties zo’n dure ZP’er inhuren, kunnen ze er via een zogenoemde opt-out regeling gezamenlijk voor kiezen om geen loonheffingen in te houden en te betalen. Daarvoor moet niet alleen een hoog tarief afgesproken zijn, maar moet er ook voldaan worden aan één van onderstaande voorwaarden:

  • De ZP’er werkt maximaal een jaar voor de organisatie (over langdurige opdrachten is nog niks bekend).
  • De ZP’er verricht geen reguliere werkzaamheden (definitie is nog niet bekend).

Van een hoog tarief zal waarschijnlijke sprake zijn vanaf €75,- per uur. Als een zelfstandige een laag tarief verdient en daarnaast reguliere werkzaamheden verricht of minimaal drie maanden op de werkvloer rondloopt, is er in de toekomst altijd sprake van een dienstverband. Dat lage tarief zal waarschijnlijk tussen de €15,- en €18,- per uur liggen. Met deze constructie is de accountmanager in het eerder genoemde voorbeeld dus vrijgesteld. De bezorgers van Deliveroo daarentegen niet. Er is door hun verdiensten altijd sprake van een dienstverband.

Mochten er tarieven gehanteerd worden tussen de €18,- en €75,- dan verwacht de overheid dat de opdrachtgever een verklaring invult op de website van de Belastingdienst. Deze werkgeversverklaring staat er garant voor dat de freelancer ook écht actief is als ZP’er bij de opdrachtgever.

De VAR maakte het vrij gemakkelijk om te starten als freelancer zonder al te veel extra poespas. Dat is ook één van de redenen dat deze wet nog heel geliefd is bij menig freelancer en opdrachtgever. Wet DBA is een waardige vervanger die echter onvoltooid is afgeleverd. Dit heeft gezorgd voor veel onduidelijkheid en onbegrip. Om het tij te keren is men nu bezig alle zaken op orde te stellen. Het duurt tot 2020 voordat men actief wilt gaan handhaven en alle nieuwe regels dus heeft geïmplementeerd. De vraag is echter of dit op tijd is gezien het huidige kabinet actief is tot 2021. Een verandering van het kabinet kan een verandering van deze wet betekenen. Dan beginnen we weer van vooraf aan.
Bij WIBA IT houden we de veranderingen op dit gebied sterk de gaten en hopen wij dat er snel meer duidelijkheid komt over dit vraagstuk! Ook op de hoogte blijven? Volg ons dan op onze Social Media kanalen via LinkedIn en Facebook! Mocht je nog vragen hebben naar aanleiding van dit stuk? Neem dan contact op met Timon via 010 – 840 9999!